Marlene Dumas

Een discussie over Marlene Dumas

Een discussie over Marlene Dumas

In de Volkskrant van 9 september 2014 sprak ik mijn verbazing uit over de devotie rondom de grote Dumas-tentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam. Hierop volgde een – soms geanimeerde, soms venijnige – discussie. In de reacties op mijn stuk viel mij een aantal dingen op: het feit dat het er zoveel waren, het feit dat zoveel bijvalsbetuigingen afkomstig waren van beeldend kunstenaars, het feit dat in veel reacties boosheid doorklonk en – ten slotte – het gemak waarmee opvattingen eerst belachelijk worden gemaakt om ze vervolgens te pareren. Jammer. Het thema had beter verdiend.

Hieronder mijn opiniebijdrage van 9 september en de daarop volgende reacties die in de Volkskrant en NRC Handelsblad zijn gepubliceerd. Daarbuiten heb ik nog vele tientallen mails ontvangen. Die laat ik hieronder onvermeld.

                                                                                     ***

De Volkskrant, 9 september 2014

Vinden jullie Marlene Dumas echt zo goed?

Dumas onttrekt zich aan de banaliteit van het schone. Maar wat maakt haar in hemelsnaam zo bijzonder?

Sander van Walsum

De hoogmis voor Marlene Dumas die momenteel wordt gecelebreerd, voelt wat onbehaaglijk aan voor iemand – zoals ik – die niet van Marlene Dumas houdt. Ik begreep in 2011 al niets van de commotie over de veiling van Dumas’ Schoolboys door het Gouds Museum, en nog minder van de opbrengst van dit doek: ruim 1 miljoen euro. Ik zag slechts vier matig geschilderde jongens zonder expressie op een plat vlak dat ook echt een plat vlak was.

Maar nu is het officieel: Marlene Dumas is de grootste levende Nederlandse kunstenaar. Over de overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam wordt heel lyrisch gedaan. Ook door Joost Zwagerman in DWDD. Hij prees de ‘gelaagdheid’ in het werk van Dumas (daar kom je altijd mee weg). De vervreemding die uitgaat van de reproductie van snapshot-achtige foto’s. En hij citeerde instemmend Robbert Dijkgraaf die in het zachte palet van Dumas een vorm van zielsverwantschap zag met de rotsschilders uit de prehistorie.

Hans den Hartog Jager prees in NRC Handelsblad Dumas’ vermogen ‘om afstand en emotie in haar werk juist te benadrukken’. Volgens hem laat ‘Dumas goed zien dat je als toeschouwer uiteindelijk niet ontkomt aan dezelfde worsteling als zij’. Ik kijk nog eens naar de schilderijen, als toeschouwer met belangstelling voor de schilderkunst, en vraag me in gemoede af: waar gáát dit over?

Waarom moet over kunst altijd zo eerbiedig worden geschreven? Waarom gelden de eisen die aan de toegankelijkheid van teksten mogen worden gesteld zo vaak niet voor teksten over kunst? Vanwaar dat pathos? En waarom nodigt Marlene Dumas daar kennelijk toe uit? Waarom moet de meest individuele expressie überhaupt worden geïnterpreteerd? Zou een kunstwerk niet zonder tekst en uitleg moeten kunnen? Heeft het niet genoeg aan zichzelf? En wanneer verandert een respectvolle bespreking van een kunstwerk in dweepzucht?

Onderhand lijkt het commentaar op het kunstwerk deel uit te maken van het kunstwerk zelf. Dat zal de ijdelheid van kunstkenners ongetwijfeld strelen: als zelfbenoemde exegeten kunnen ze verder bouwen aan het kunstwerk. De kunstenaar moet hun dan wel ruimte laten voor de vrije interpretatie. De kunst mag vooral niet ‘af’ zijn. Een virtuoos schilderij wekt wantrouwen. Het is al snel te glad. Te gepolijst. Te af, inderdaad. Het laat geen ruimte voor de ‘interactie met de toeschouwer’ waarvan zoveel kunstkijkers gewagen.

Isaac Israëls was technisch een veel begaafder kunstenaar dan Vincent van Gogh. Maar hij maakte de kijker geen deelgenoot van zielenpijn en de worsteling met het kunstenaarschap. Hij schilderde badgasten en voluptueuze naakten in strijklicht. En hij was een lang leven productief. Maar er kan niet veel meer over worden gezegd dan dat het ‘mooi’ of ‘knap’ is. En dat is de kunstliefhebber toch wat te pover. Hij wil in een schilderij worden getrokken. Hij wil er een verhaal over kunnen vertellen. Hij wil kunnen meeleven met de maker. Daarin kwam Van Gogh hun natuurlijk veel meer tegemoet dan Isaac Israëls. Over de eerste zijn vele strekkende meters boeken geschreven. Over Israëls slechts een handjevol catalogi.

Dat Dumas gewoon schilderijen maakt op basis van foto’s die ze uit de krant heeft geknipt, gaat er bij het publiek kennelijk niet in. Pagina’s worden volgeschreven over wat ze bedóéld kan hebben. En wie een bedoeling veronderstelt, veronderstelt ook een ‘worsteling’ – een woord dat zeer geregeld wordt gebruikt in verband met Dumas. Het gaat dan om ‘die worsteling tussen kunstenaar, beeld en werkelijkheid’. Om het gevecht dat aan de totstandkoming van elk doek zou voorafgaan. Om confrontaties. Om ‘de houdgreep’ waarin de kunstenaar de kijker gevangen houdt. Over de pijn van het kunstenaarschap.

Hans den Hartog Jager maant ons vooral niet te denken dat Dumas zo’n kunstenaar is ‘die fluitend naar haar werk gaat en de doeken uit haar mouw schudt’. Bij de beoordeling van een kunstenaar gaat het meer om de worsteling dan om de schoonheid. ‘Mooi’ is een in onbruik geraakte kwalificatie. Want schoonheid is arbitrair en irrelevant. Bij Dumas gaat het daar dus niet om.

Van een figuratief schilder mag je verwachten dat ze de menselijke anatomie enigszins respecteert. Maar langs die meetlat wordt Dumas niet gelegd. Een horrelvoet of een vlek op de plaats van een oog worden welwillend als ‘abstracte elementen in een figuratieve context’ gekenschetst. De vraag of de dingen ‘kloppen’ in het werk van Dumas is niet aan de orde. Bij haar kloppen de dingen per definitie. Dumas heeft het Pantheon betrokken van onaanraakbare kunstenaars die zich onttrekken aan de banaliteit van het schone. Dat is toch wat ongemakkelijk voor mensen die echt niet vermogen te zien wat haar zo bijzonder maakt. En ze vragen zich bekommerd af: vinden de anderen haar écht zo goed? Over een jaar of twintig zullen we het weten.

                                                                                     ***

De Volkskrant, 10 september 2014

Geachte Redactie

Marlene Dumas

Sander van Walsum, mijn man van de dag! Al een week broed ik – ‘moet je dit nu wel doen, je zet jezelf te kijk als jaloerse onbegrepen kunstenmaker’ – op een reactie op de aanhoudende Marlene Lichtmis in mijn krant. Valt gisterochtend mijn Verlosser op de deurmat. Zelden zo’n herkenbare spiegeling van mijn eigen gedachten gelezen. Petje af.

Willem M.A. Muijs, Nijmegen, beeldend kunstenaar

Marlene Dumas (2)

De vraag die Sander van Walsum stelt aan al die amechtig achter elkaar aanhollende bewonderaars en exegeten van het werk van Marlene Dumas is mij uit het hart gegrepen. Ik heb het mechanisme al vaker gezien, een ‘nieuwe kleren van de keizer’-syndroom waarin niemand meer een afwijkende mening durft te geven, bang om voor cultuurbarbaar te worden versleten. Of uit de groep te worden gestoten.

Het is altijd vermakelijk om jaren later mee te maken hoe men dan weer ontkent ooit met de meute te hebben mee gedraafd. Maar ja, zeker die exegeten maken het de gewone kunstliefhebber moeilijk, want er is geen weerwoord op mogelijk omdat het ongrijpbare prietpraat is. Ik kan me trouwens goed voorstellen dat Dumas zelf zo haar bedenkingen heeft bij die hordes fotografen en interviewers.

Van ettelijke werken van Dumas kennen we de oorspronkelijke foto, en ik moet zeggen dat de foto vaak beter was dan wat zij er van maakte. De zeggingskracht van het fotografische beeld is door haar verwaterd, letterlijk en figuurlijk, wat dan door de kunstpausjes weer wordt vertaald in extra gelaagdheid. Ja, kan zijn, en daardoor is het beeld niet meer helder.

Coen Eggen, Kelmond-Beek

Marlene Dumas (3)

Onbegrijpelijk dat jullie eigen verslaggever een podium krijgt om zijn oninteressante kul over Marlene Dumas te spuien. Om met Henri de Toulouse-Lautrec te spreken: ‘La peinture, c’est comme la merde, ça se sent mais ça ne s’explique pas‘. Overigens duidelijk dat Van Walsum nooit een kwast in zijn handen heeft gehad, want dan zou hij weten hoe virtuoos Dumas schildert.

Liesbeth Jongebloed, Velp

Marlene Dumas (4)

Na dagen artikelen lezen over de heiligverklaring van Marlene Dumas was het een enorme opluchting om het artikel van Sander van Walsum te lezen. De keizerin is inderdaad bloot. Hoewel mevrouw Dumas veelbelovend is begonnen: haar tentoonstelling in Museum Overholland was zeer bijzonder. Daarna is het bergafwaarts gegaan, tot het maken van tenenkrommend werk toe. Dit was heel duidelijk te zien toen haar werk gecombineerd werd met werk van Francis Bacon. Bravo Sander van Walsum!

  1. van Rijn, Amsterdam

Marlene Dumas (5)

Een fris geluid over kunst van Sander van Walsum. Zijn betoog onderschrijft de mening van velen, maar om ideologische redenen komen deze bijna nooit in de media. Hij is sceptisch over de enorme bewondering voor Marlene Dumas. Ik voeg toe: in College Tour met Twan Huys zei ze heel eerlijk dat ze eigenlijk niet kan kijken. Stel je een musicus voor die niet kan horen.

Gezien van de Riet, Castricum

Marlene Dumas (6)

Van een figuratief schilder mag je verwachten dat ze de menselijke anatomie enigszins respecteert?!?

Meer dan honderd jaar geleden (1907) wist Picasso z’n naaste collega’s te choqueren met Les Demoiselles d’Avignon en tien jaar later de rest van Parijs toen hij het voor het eerst tentoonstelde. Of dingen anatomisch of perspectivisch kloppen, is dus al een eeuw totaal irrelevant. Het gaat erom of een beeld klopt/werkt als autonoom beeld.

Marlene Dumas is geen pleaser, maar wie in die hoek iets zoekt, heeft aan galeries keuze genoeg en is een stuk goedkoper uit.

M.G. Streefland, schilder te Utrecht

Marlene Dumas (7)

Het artikel van Sander van Walsum is mij uit het hart gegrepen. Uitvergrote krantenfoto’s met een paar likken verf erover zijn blijkbaar in staat iemand tot de grootste levende kunstenaar van Nederland uit te roepen. ‘Het gaat om de gelaagdheid.’ Ja er zijn inderdaad wat lagen verf aangebracht. Enige tijd geleden was er sprake van een nominatie van de VKBK aan een ‘installatie’, voorstellende een rolstoel met een grote zwarte klont erop.

Ook hier werden de meest diepzinnige aspecten, worstelingen en filosofieën op losgelaten. Laat me niet lachen. Ik zag een rolstoel met een klont en meer was het niet. Nederland kent gelukkig vele levende kunstenaars die prachtig werk maken dat daadwerkelijk ergens over gáát. Zij schilderen omdat ze schilderen moeten en niet om zichzelf en anderen in de maling te nemen.

Willeke van Elk, Den Haag

Marlene Dumas (8)

Wát een opluchting dat Sander van Walsum openlijk in de krant toegeeft niet van het werk van Marlene Dumas te houden. Ik houd ook niet van haar werk, vind het niet mooi (dat schijnt ook niet te mogen bij kunst, dan heb je er niets van begrepen) en het roept geen enkele emotie bij me op, kortom: ik ben blij dat het niet bij mij aan de muur hangt.

Maar dát mag je dus niet zeggen, dan worden mensen kwaad, noemen je een cultuurbarbaar of een oliedom mens dat er niets van begrepen heeft.

Iedereen sjouwt kritiekloos achter de zogenaamde kunstkenners aan die het allemaal schijnen te weten, met voorop het lawaaierige, idolate gedoe in DWDD. Verschil van smaak is niet toegestaan.

Dank je wel Sander van Walsum voor dit andere geluid.

Chris Strijthagen, Renkum

                                                                                     ***

De Volkskrant, 11 september 2014

Voor Van Walsum is kunst louter decoratie

Wie Dumas’ poëtica buiten beschouwing laat, veroordeelt zichzelf tot een fantasieloze blikvernauwing.

Joost Zwagerman

Sander van Walsum voelde zich onbehaaglijk na het lezen en zien van enkele enthousiaste reacties op de tentoonstelling The Image As Burden van Marlene Dumas. Hij houdt niet van haar werk – al heel lang niet. Het is, vindt hij, ‘middelmatig’ geschilderd. En de kunstenaar zelf? Schrikwekkend overschat. Hij beweerde, op grond van een recensie van Hans den Hartog Jager in NRC Handelsblad, dat de mate van worsteling en getourmenteerdheid van de kunstenaar een glijmiddel lijkt te zijn voor een acceptatie en bewieroking door een publiek dat smult van het archetype van de kunstenaar als gekwelde genius.

Wie interviews met Dumas leest of wie haar, recent, zag spreken bij Nova College Tour, ontmoet een kunstenaar die zich even energiek als welgemoed – en met de nodige zelfrelativering – allerlei beelden, soms beladen, soms breekbaar, soms in nevelen gehuld van kitsch en massacultuur, toe-eigent en vervolgens wrikt aan de betekenis die gewoonlijk aan die beelden wordt toegedicht. Dat kun je een worsteling noemen – maar dan wel éen van de geest, en niet van het gemoed. Van Walsum reduceerde die worsteling echter tot een karakterkwestie van Dumas. Hij zadelde haar op met een kennelijk in zijn beleving bestaand imago dat zij schijnt te bezitten. ‘The image as burden‘ – net wat u zegt.

Voor Dumas zijn schijnbaar vaste betekenissen uiterst relatief; veel beelden uit de massacultuur zijn eerder verklonken met ons verlángen naar een betekenis, liefst zo eenduidig en vaststaand mogelijk, opdat we het onszelf niet al te moeilijk hoeven te maken. Dumas bevraagt en onderzoekt in haar kunst die verlangens. Die onderzoekingen maken veel van haar werken gelaagd, zoals ik in DWDD beweerde – en dat was Van Walsum een doorn in het oog. In deze krant accentueerde kunstrecensent Rutger Pontzen de ‘dubbelzinnigheid’ die Dumas aan bijvoorbeeld ‘de Bin Ladens, Marilyn Monroes, Naomi Campbells van deze wereld heeft gegeven’. Dat stemt overeen met mijn bevinding een dag tevoren, en correspondeert ook met de beoordeling door Den Hartog Jager in NRC – maar Pontzen bleef bij Van Walsum opmerkelijk genoeg ongenoemd. Curieus.

Ook ergerde Van Walsum zich eraan dat Marlene Dumas vrijwel altijd foto’s gebruikt als grondstof voor haar schilderijen en aquarellen, en dan vooral aan de bedóeling die Dumas daarmee heeft. Dumas’ motivatie om foto’s als bronmateriaal te gebruiken verwoordde zijzelf in een Amerikaanse krant kort en bondig: ‘Secondhand images can create firsthand emotions.’ Om die ‘firsthand emotions‘ is het Dumas in veel van haar werk te doen – en moet je een kunstenaar niet altijd bevragen naar en beoordelen op de artistieke maatstaven die hijzelf hanteert? Van Walsum vindt van niet. Hij poneert in plaats daarvan dat je van ‘een figuratief schilder mag verwachten dat die de menselijke anatomie enigszins respecteert.’

Hoezo, mag je dat verwachten? Ik verwacht dat in ieder geval niet bij het zien van werken van een kunstenaar als Francis Bacon, die schilderde in een figuratieve traditie. Had hij de menselijke anatomie gerespecteerd, dan had hij direct alle elementen uit zijn oeuvre weg gefilterd die dat oeuvre nu juist zo uniek maken. Of neem de sterk vervormde mensfiguren in het oeuvre van een kunstenaar als Lucebert. Die mensfiguren zijn vreemde fabelwezens die zich onttrekken aan de gangbare menselijke anatomie.

Van Walsum ontzegt zich met dit formalistische criterium de toegang tot de oeuvres van genoemde kunstenaars. Wat mis je dan veel!

Wat Van Walsum lijkt te ontgaan, is dat Dumas eerst en vooral hecht aan het schildersgebaar. Dumas heeft meer dan eens beklemtoond dat zij zichzelf verwant voelt met kunstenaars van het abstract expressionisme. Zij bewondert het ‘gebaar’ waarmee zij schilderden. Ze zei erover: ‘Wat valt er na het abstract expressionisme nog te onderzoeken en ontdekken? Wat kun je nog bereiken met het schilderen als gesture?’

Wie zich die vragen stelt, maalt bepaald niet om het respecteren van ‘de menselijke anatomie’. Van Walsum kan gruwen van die vragen en die werkmethode, en geen ziel die hem zijn weerzin wil ontzeggen – maar hij projecteert op het oeuvre van Dumas een maatstaf waaraan het helemaal niet wíl beantwoorden.

‘Zou een kunstwerk niet zonder tekst en uitleg moeten kunnen?’ vraagt Van Walsum zich af. Die vraag keert zo vaak terug dat je er de geeuwhonger van zou krijgen. Niks zeggen of schrijven – het werk spreekt voor zich. Dat líjkt heel nobel, maar verarmt de kunst én de kunstbeleving. Maar het onder woorden pogen te brengen van de sensaties of de verwarring die sommige kunstwerken oproepen, is iets anders dan schoolse en slaafse exegese. De interessantste kunst, zoals ook de interessantste romans en gedichten, roept vragen op. Wat is er tegen om die vragen onder woorden te brengen? Schaadt dat Van Walsums genietingen van kunst?

Natuurlijk zijn er kunstwerken die ronduit – en uitsluitend – oogstrelend virtuoos willen zijn. Toch blijft het ook dan inspirerend en uitdagend om te verwoorden wát zo’n werk nu zo virtuoos maakt. Van Walsum houdt het, onder verwijzing naar het oeuvre van Isaac Israëls, op ‘knap’ en ‘mooi’. Veel meer dan dat kun je er niet over zeggen, stelt hij vast. De uiterste consequentie van die opvatting is dat je dan de hele studie kunstgeschiedenis wel kunt opdoeken.

Dat er rond zo’n virtuoos schilderij, uit heden of verleden, een samenleving resoneert, een tijdvak met de bijbehorende esthetische, morele en intellectuele opvattingen en idealen die dit tijdvak bepaalden, laat hij buiten beschouwing. Met zo’n opvatting is ook het mystiek geïnspireerde oeuvre van Francesco de Zurbaran (1598-1664) louter ‘mooi’ en ‘knap’, en sluit je je oren en ogen ervoor dat die mystieke component in zijn werk niet altijd even gangbaar was in zijn tijd.

Precies zo wordt in onze tijd Dumas’ opvatting over beelden die in onze massacultuur lijden aan een bijna tiranniek eenduidige betekenis niet door iedereen onderkend of onderschreven. Hoeft ook niet. Maar die opvatting vormt wel de aandrijfmotor van haar werk. Wie Dumas’ werk uitsluitend wil beoordelen met de hatseflatswoorden ‘knap’ en ‘mooi’ (of ‘overschat’ en ‘gemiddeld’) zonder acht te slaan op de opvattingen en poëtica van de kunstenaar, veroordeelt zichzelf tot een fantasieloze (blik)vernauwing als gevolg waarvan kunst inkrimpt tot louter ambacht en decoratie. Dat kan de bedoeling niet zijn.

                                                                                     ***

De Volkskrant, 11 september 2014

Voetnoot

Arnon Grunberg

Gezien het aantal ingezonden brieven woensdag in de Volkskrant maakte Sander van Walsums artikel van dinsdag over het werk van Marlene Dumas veel los. Van Walsum stelde – afgezien van de discussie over Dumas – enkele interessante vragen. ‘Zou een kunstwerk niet zonder tekst en uitleg moeten kunnen?’ Zeker. Dat geldt overigens ook voor een roman, maar elke ‘heilige tekst’ trekt schriftgeleerden aan.

Curieus was dat de deelnemers aan de discussie vergaten dat kunst een monetaire waarde vertegenwoordigt; net als het aandeel Apple wordt sommige kunst in korte tijd veel duurder. Of het aandeel ‘mooi’ of ‘lelijk’ is, is weinig relevant.

Dankzij kunst construeren we onze identiteit. Zijn we vóór of tegen Dumas?

Dankzij kunst laten we zien tot welke sociale klasse we willen behoren. Citeren we Toulouse-Lautrec in het Frans of geven we af op kunstkenners? Kunst is het wapen bij uitstek om klassenstrijd mee te voeren.

                                                                                     ***

De Volkskrant, 11 september 2014

Alles van waarde vertrapt in de modder

Maarten Doorman

Het treurigst aan het stuk van Sander van Walsum over – of liever: tégen – de kunst van Marlene Dumas is de rancuneuze taal waarmee de hedendaagse kunst de laatste jaren steeds vaker wordt geconfronteerd.

Dumas heeft sinds 1993 geen grote overzichtstentoonstelling meer in Nederland gehad. Eén van de laatste grote overzichten van haar werk was in 2008 te zien in Los Angeles en het Museum of Modern Art in New York. De tentoonstelling in het Stedelijk Museum, The Image as Burden, is voor vele in kunst geïnteresseerden dan ook een hoogtepunt, en kennelijk ook voor alle critici.

Van Walsum probeert bij al deze euforie een ‘prikkelend’ standpunt in te nemen en spreekt daarom van een ‘hoogmis die wordt gecelebreerd’. Daar ergert hij zich aan. Laten we gewoon doen, dan doen we al gek genoeg. En dat die schilderijen zo veel kosten, asjemenou!

Al die enthousiaste critici zwatelen er volgens hem bovendien maar op los, nee mensen, laat je niks wijsmaken, allemaal bedrog! En die Marlene Dumas kan zelf ook niet eens schilderen (eigenlijk zou hij moeten schrijven: ze ken niet eens schilderen). Van een ‘figuratief schilder’ mag je toch verwachten dat de dingen ‘kloppen’? Vanwaar dan die rare vlekken in dat schilderij? Het is geeneens net echt.

Van Walsum is denk ik minder naïef dan hij zich voordoet. Hij schrijft dit vast op om eens lekker te provoceren. Hij begrijpt zelf ook wel dat zijn argumenten tegen niet ‘kloppende’ afbeeldingen de halve schilderkunst van de vorige eeuw afserveren, van Picasso tot Anselm Kiefer, van Baselitz tot Francis Bacon en van Willem de Kooning tot Gerhard Richter.

Van mij hoeft hij het zichzelf niet te gunnen dat geweldige werk van Dumas te bewonderen. Maar als deze waxinelichtgooier van de moderne kunst ‘vier matig geschilderde jongens’ ziet op een ‘echt’ plat vlak, verwacht je behalve zo’n mening ook een beetje argumentatie. ‘Onderhand’, schrijft hij wat verder, ‘lijkt het commentaar op het kunstwerk deel uit te maken van het kunstwerk zelf’. Onderhand? Al sinds Marcel Duchamps fietswiel op een kruk (1913) en het befaamde urinoir (1917), en eigenlijk al sinds de romantiek, zijn kunst en reflectie met elkaar verweven. En helaas, het gaat in de kunst ook al heel lang niet meer om louter ‘schoonheid’.

Ik weet niet of je kritiek moet hebben op de tactiek van FC Cambuur als je niet begrijpt wat buitenspel is. En al helemaal niet wanneer je met dat onbegrip te koop loopt. In de kunst lijkt me dat niet anders.

Vroeger schreef Sander van Walsum als correspondent in Berlijn mooie stukken voor deze krant. Daar las hij dagelijks bladen als Die Zeit en de Frankfurter Algemeine. Het is mij een raadsel waarom hij zich laat verleiden nu in de Volkskrant zo kinderlijk over kunst te schrijven en daarmee opnieuw munitie te leveren aan het gezonde volksgevoel dat wat niet meteen te begrijpen is het liefst vernielt, en wat van waarde is vertrapt in de modder van dit land.

Maarten Doorman is schrijver, filosoof en criticus.

                                                                                     ***

De Volkskrant, 12 september 2014

Kunstdebat

Blijkbaar is het not done om vraagtekens te stellen bij de schilderkunst van Marlene Dumas of alle aandacht die ze krijgt in de media, zoals Sander van Walsum onlangs deed. Je wordt dan terechtgewezen door Joost Zwagerman in een goed onderbouwd stuk. Of weggezet als waxinelichtgooier van de moderne kunst door schrijver, filosoof en criticus Maarten Doorman. Waar Zwagerman nog ruimte voor andersdenkenden laat, is het voor Doorman een uitgemaakte zaak.

Een afwijkende mening wordt weggezet als rancuneuze taal waarmee de hedendaagse kunst de laatste jaren steeds vaker wordt geconfronteerd, er worden flauwe woordspelingen gemaakt (‘het is geeneens net echt’) en tot slot kun je ook echt op de persoon spelen. Eerst het compliment dat Sander van Walsum vroeger mooie stukken voor de Volkskrant schreef, dan vol op het orgel door te suggereren dat een afwijkende mening munitie levert aan het gezonde volksgevoel en de lijn door te trekken naar het vernietigen van onbegrepen kunst.

Over slechte smaak gesproken.

Stefan Paauwe, Groningen

Kunstdebat (2)

Was het niet Karel Appel die zei: ‘Ik rotzooi maar wat aan.’? Carel Willink verwoordde het ooit tijdens één van zijn exposities als volgt: ‘Ik lees morgen wel in de krant wat ik nu allemaal weer met mijn schilderijen bedoeld heb…’

Louis Nijhuis, Winterswijk

Kunstdebat (3)

Dat Joost Zwagerman ter verdediging van Dumas’ werk het archaïsche ‘louter’ gebruikt voor zijn ‘J’accuse Sander van Walsum’ – zoals in de kop vermeldt – zegt voldoende.

Zwagerman behoort tot de ‘illuminati’, de verlichte cirkel van de mensheid die de bedoeling en werking op de psyche van ware kunst waarlijk begrijpt. Zwagerman beschouwt het als roeping zijn eloquentie in te zetten om de door levenservaring ontgoochelde, van het ware pad afgedwaalde kunstkijker – weer – het juiste zicht- en denkraam te schenken.

Maar, weest verheugd, je kunt het oeuvre van Marlene Dumas ook ‘fout’ beschouwen. Dat deze kunstenaar hetzelfde effect beoogt als haar anonieme collega van het doek Huilend zigeunerjongetje: zuivere kitsch. Dumas richt haar penselen direct en trefzeker op het sentimentele en getormenteerde hart van de verwend-westerse, intellectualistische kijker.

Dumas gebruikt hiervoor stijlclichés die nu als echt en doorleefd worden ervaren: bewust niet ‘netjes’, niet ‘perfect’ en ‘buiten de lijnen’. Zou Dumas niet smoezelig en viezig werken; haar zou oppervlakkigheid, ondubbelzinnigheid en – dus – nalatigheid en verraad worden verweten.

Dumas verlicht, geeft duiding aan het verwarde zielenleven van de goedopgeleide en zo consciëntieus mogelijk door het leven ploeterende mens.

Erik Zwaga, Amsterdam

Kunstkritiek (4)

Arnon Grunberg vindt dat kunst zonder tekst en uitleg moet kunnen en dat is ook van toepassing is op romans. Hij vergeet dat iedereen vanaf de basisschool tot en met middelbare school leert lezen en schrijven, terwijl er op school nauwelijks aandacht wordt besteed aan kunst. Het resultaat is een wijdverbreid gebrek aan kennis van kunst. Bij een grotere algemene kennis van kunst zouden tekst en uitleg nagenoeg overbodig zijn.

Martin McNamara, Heinkenszand

                                                                                     ***

De Volkskrant, 12 september 2014

Doe stap terug naar klassieke waarden

Na de oorlog werd onbeholpenheid de artistieke norm. Aan willekeurige vlekken werden diepere gevoelens toegedicht. Dat tijdperk lijkt ten einde.

Tom S. Hageman

Sander van Walsum vroeg zich af waar de cultus rond Marlene Dumas eigenlijk op berust. Enkele jaren geleden keerde de samenleving – onder aanvoering van Halbe Zijlstra – zich tegen het subsidiëren van kunst. Tegelijk toont de kunstmarkt een kentering naar waardering voor meer traditionele kunst. Het lijkt erop dat een tijdperk zijn einde nadert.

Dat tijdperk begon met Adolf Hitler. Die verklaarde ieder vormexperiment in de kunst als ‘ontaard’ en verwees de ‘moderne kunst’ naar de brandstapel. De reactie na de oorlog was simpel: wat Hitler goed vond moest wel fout wezen en omgekeerd.

Dit werd nog aangedikt door Josef Stalin, die het socialistisch realisme tot staatskunst had verheven. Kunst werd een wapen in de Koude Oorlog: het klassieke realisme was de kunst van de vijand, het modernisme symbool voor het Vrije Westen.

Politiek heeft in alle tijden gebruik gemaakt van de kunst als propagandamiddel, wat niet wil zeggen dat dat per se tot betere kunst leidde.

Na de oorlog werd onbeholpenheid de artistieke norm. Aan grofheid en vormloosheid werden expressieve waarden toegedicht, aan willekeurige vlekken diepere gevoelens. Kunstzinnigheid maakte plaats voor geforceerde onzin, talent ruimde het veld voor aandachtzoekend gedrag. Kunsthistorisch is het de vraag hoe lang zo’n tijdperk stand houdt. Inmiddels een jaar of zeventig, maar vanaf 1990, het einde van de Koude Oorlog, worden tegenbewegingen zichtbaar.

Onbeholpenheid als norm heeft vooral in de beeldende kunst lang geduurd. Poëzie verkoopt toch al slecht, experimentele poëzie al helemaal niet en experimentele muziek trok alleen lege zalen. Maar de musea hielden wereldwijd stand met vormen van kunst die zich eindeloos herhaalden, en tegelijk los stonden van de samenleving.

Het bracht de kunst in para-religieus vaarwater: de prediking en de exegese werden belangrijker dan het kunstwerk zelf. Museumdirecteuren werden hogepriesters die kunst celebreerden voor een gelovige massa. En ook hier sloeg de ontkerkelijking toe.

Intussen sloeg de samenleving een heel andere koers in: die van de massamedia. Van de transistorradio via de televisie naar het internet. Kunst als massaproduct ging de cultuur domineren, in muziek, tekst en beeld. Het was de ontwikkeling van een tegenpool. Tegenover de kunst als een geheimzinnige sekte, voorbehouden aan enkele ingewijden, ontstond een maatschappelijk draagvlak van cijfers: verkoopcijfers en kijkcijfers. Ook dat wil niet zeggen dat het per se tot betere kunst leidde.

Er is een kunsthistorische wet die stelt dat, wanneer een ontwikkeling is vastgelopen, men een stap terug moet doen. Naar klassieke waarden om precies te zijn. Die zijn helemaal niet zo moeilijk. Men hoeft geen musicoloog te zijn om muziek mooi te vinden, geen neerlandicus om een roman te lezen of kunsthistoricus om een schilderij te waarderen. Bij het laatste geldt: je ziet wat er is en dat is het dan ook. Een achterliggend verhaal (of dat nu om een kruisafname gaat of iets anders) is aanvullend, wellicht interessant, maar staat los van de kwaliteit van het beeld.

Die kwaliteit berust op een aantal principes, die in zoverre ‘moeilijk’ zijn dat ze altijd op een contradictie berusten: er moet tegelijk sprake zijn van spanning en van harmonie.

Er zijn dan vier beeldende – in wezen abstracte – basisprincipes waaraan ieder kunstwerk getoetst kan worden (van Australische grotschilderingen, via Japanse houtsneden tot Marlene Dumas). Dat zijn compositie, vorm, tonaliteit en kleur. Wanneer ieder van die aspecten in een kunstwerk van zowel spanning als harmonie is voorzien, is het een goed ding. Ontbreekt het in enig aspect, dan is het qualitate qua géén goed ding.

In realistisch-figuratieve kunst (dat is de West-Europese kunst van na de Renaissance) komen er meer aspecten bij: plasticiteit door licht-schaduw, dieptewerking door perspectief, anatomisch correcte weergave van figuren, allerlei kennis.

En de expressie wilt u weten? De poëzie? Zeker, daar draait het om. Maar zeker op de langere termijn is dat een voortvloeisel van kunde, niet van onkunde. De Romeinse kunst van de 4de eeuw zit veel knulliger in elkaar dan die uit de eerste eeuw. Niemand kijkt daar nu nog naar om, anders dan meewarig.

                                                                                     ***

De Volkskrant, 13 september 2014

Kunstdebat

Met belangstelling lees ik de discussie over Marlene Dumas. Ik blijf me afvragen: kunst hoeft toch niet altijd ‘hapklare brokken’ in de vorm van herkenbare beelden te zijn? Je mag toch ook wel ergens je best voor doen? Interesse tonen in het werk en de kunstenaar? Dat vind ik juist zo fijn aan mijn krant: ik moet soms een woord opzoeken omdat ik niet weet wat het betekent.

Josien Hoogland, IJmuiden

Kunstdebat (2)

Fijn dat er eindelijk in het openbaar gediscussieerd wordt over iets wat toch een beetje taboe was: bepaalde vormen van moderne beeldende kunst. Wat zowel de columns als de ingezonden brieven deze week overduidelijk illustreren, is dat het gaat om een strijd tussen gelovigen en niet-gelovigen. De gelovige is iemand voor wie de exegese minstens zo zwaar telt als het kunstwerk zelf. Deze discussie zal helaas vruchteloos blijken. Gelovigen hechten nu eenmaal aan zekerheid en denken liever niet na, al willen ze wel graag doorgaan voor intelligente, moderne mensen, wat op zich weer een interessante contradictie is.

Het gaat mij, als niet-gelovige, overigens niet om Dumas. Haar werk is voor mij een twijfelgeval. Wat zij doet is al eerder gedaan en juist in vergelijking met bijvoorbeeld Bacon zie je de mindere kwaliteit. Ik denk eerder aan producenten van gebakken lucht als Damien Hirst, die in interviews ruiterlijk erkent dat hij niet kan tekenen of schilderen. Stel je een schrijver voor die erkent dat hij niet kan schrijven en toch de Nobelprijs voor literatuur wint.

Maar ja, per saldo gaat het, zoals overal in het maatschappelijk verkeer, vooral om belangen. Daardoor zullen nog heel lang de niet-bestaande kleren van de keizer worden aangeprezen als uiterst gelaagd en fascinerend.

Jack Didden, Drunen

                                                                                     ***

De Volkskrant, 15 september 2014

Marlene Dumas

Hierbij laat ik weten dat ik de werken van Marlene Dumas gewoon mooi vind. Ik heb niks met cultuursnobs, dogmatische kunstpausen en marktwaarde. Haar werk doet mij wat. Ze laat een stukje van de mens zien achter het beeld in al zijn kwetsbaarheid en onvolmaaktheid. Dat vind ik bewonderenswaardig.

Mirjam Daalder, Gouda

                                                                                     ***

De Volkskrant, 16 september 2014

Aanstootgevend

Dat mensen twisten over de kwaliteit van het werk van Marlene Dumas, haar zeggingskracht en haar beelden op de grens van erotiek en pornografie, dat hoort bij kunst. Daar is niets schokkends aan.

Wat ik wel schokkend vind, is om bij de entree van een zaaltje met wat naakt in het Stedelijk Museum in Amsterdam een bordje te ontwaren met daarop de tekst: ‘Pas op, de volgende beelden kunnen aanstootgevend zijn’. Met andere woorden: kinderen, zwangere vrouwen en mensen met een bypass: ‘Blijf uit de buurt! U betreedt deze zaal op eigen risico’.

In het zaaltje hing welgeteld één erecte piemel, één zichzelf betastende vrouw en verder nog wat vaags experimenteels. Daarna mocht iedereen gewoon door de lijkenzaal, waar onder meer een beeld hing van een Palestijns meisje. Vermoord. Maar bloot? My god!

Wat is dit voor een naar Amerika riekende puriteinse wind, die ons land steeds verder verpreutst en verstikkend maakt? Kunnen we nu zelfs in de kunst geen naakt meer aan? Niet naakt, maar dat bordje bij die zaal van Dumas is pas schokkend.

Arja Veerman, Zeist

                                                                                     ***

De Volkskrant, 18 september 2014

Brief van de dag

Van mijn grootvader, Lodewijk Schelfhout (1881-1943) heb ik twee archiefdozen vol lovende recensies, van De Tijd tot en met De Telegraaf. Hij exposeerde voor de oorlog regelmatig in het Stedelijk Museum te Amsterdam, vijftien keer in een groepsexpositie, vijf keer solo. Dat doet geen enkele kunstschilder hem meer na. Desondanks is hij heden ten dage voor velen totaal onbekend. Alles is dus betrekkelijk, ook Marlene Dumas.

Andreas Schelfhout, Oudwoude

                                                                                     ***

De Volkskrant, 19 september 2014

Stelling

Rutger Pontzen

De zaak-Dumas. Vorige week barstte zij los. Dumas kreeg sinds 22 jaar weer eens een grote tentoonstelling. In het Stedelijk. De kranten stonden er vol van. Ook de Volkskrant. En ja, de stukken waren ronduit lovend.

Totdat onder de kop ‘Vinden jullie Marlene Dumas echt zo goed?’ een tegenoffensief werd ingezet. Het ingezonden artikel van Sander van Walsum leidde tot veel reacties, mails en post. Algemene strekking: het is inderdaad niet te begrijpen waarom die Dumas zo veel aandacht krijgt en zo op het schild wordt gehesen. Want, zo luidde de kritiek, echt figuratief kan Dumas niet schilderen. Ze kliedert eenvoudig foto’s na. En nog slecht ook. Al die zogenaamde critici, die Dumas zo de hemel in hebben geprezen, die zijn helemaal niet zo kritisch en praten alleen maar elkaar na. Met hun kleren-van-de-keizerprietpraat. En daarbij: waarom moet je überhaupt over kunst schrijven?

In al mijn vergevingsgezindheid zou ik schrijven dat niet iedereen van Dumas’ werk hoeft te houden. Dat kunst geen zaak is van de gemene deler of van conformisme. Je kunt het nauwelijks afkeuren dat iemand de verdiensten van Dumas niet ziet – hoe spijtig het ook is als het gebeurt.

Wat me wel verbaasde was de heftige toon. De gretigheid waarmee alle meningen geventileerd werden en de agressie die daarbij kwam kijken. De mening van Van Walsum werd niet schouderophalend of met zwijgende instemming gelezen. Nee, mensen klommen in de pen. Kwamen in opstand.

De agressie richtte zich misschien niet eens tegen Dumas. Wel tegen het Stedelijk, dat zo veel zalen voor haar heeft ingeruimd. En vooral tegen het legertje recensenten dat zo lovend over de tentoonstelling had geschreven. Té lovend. Bewoordingen die als een keurslijf insnoeren hoe de bezoeker kunst moet bewonderen. Als een van hogerhand gedicteerd voorschrift. Een dictaat waarop je überhaupt geen tegengeluid mag laten horen. Tegengeluiden die om ideologische redenen uit de krant worden geweerd, zo luidde de suggestie.

Met het artikel van Van Walsum stond iemand op die verwoordde wat heimelijk werd gedacht. Die zich verzette tegen de autoriteit van de kunstcritici. Hij kneep een steenpuist aan latente walging en stil verzet uit. Gaf de non-believers een stem. ‘Bravo’. ‘Mijn man van de dag!’ ‘Dank je wel.’

Het ressentiment van de meeste briefschrijvers kwam voort uit het gevoel iets in de maag gesplitst te krijgen. Op de mouw gespeld. Door de strot geduwd. Door de exegeten van de kunstkritiek. Door de kunstpausjes. De achter elkaar aanhollende bewonderaars met hun holle frasen en dikdoenerij.

Opvallende eenstemmigheid: we maken zelf wel uit of een schilderij goed of slecht is. We laten ons geen knollen voor citroenen verkopen. Kunst is toch universeel? Dan geldt dat ook voor mij. Ik bepaal zelf wel of een voet, gezicht of hand anatomisch correct is geschilderd. Of niet. Opvallend ook: de hang naar ‘doe maar gewoon, da’s gek genoeg’. De hang naar medezeggenschap en inspraak. Naar democratische rechten voor wat betreft smaak en kunde. Naar egalitair gedrag dat elitair denken uitsluit.

Alleen spijtig dat met medezeggenschap, inspraak en ‘gewoon doen’ nog nooit een enkel kunstwerk van belang het levenslicht heeft gezien.

                                                                                     ***

De Volkskrant, 24 september 2014

Voetnoot

Arnon Grunberg

Naar aanleiding van de discussie over Marlene Dumas en de hedendaagse schilderkunst verbaasde Rutger Pontzen zich in de Volkskrant over de agressie waarmee men ‘zich verzette tegen de autoriteit van de kunstcritici’.

Nu valt vrijheid van meningsuiting in Nederland samen met massale, ietwat onaangename groepstherapie. Morele verontwaardiging is het excuus voor de agressie die zich kan richten tegen de religieuze dan wel besneden medemens, kunstcritici, of Willem Vissers, die uit het vliegtuig dient te worden geworpen omdat hij niet positief genoeg over Oranje schrijft.

Verder is de afgelopen decennia in Nederland, maar ook elders, met tamelijk grondig fanatisme alles wat autoriteit was onderuit geschoffeld. Veelal gebeurde dat door mensen die hoopten zelf autoriteit te worden. Menige autoriteit verdiende overigens ontmaskering.

Mondigheid in Nederland? Dankzij Google ben ik mijn eigen autoriteit. Elke traditie is bedrog, behalve Zwarte Piet. Vrijheid is leven alsof je de eerste mens op aarde bent.

                                                                                     ***

NRC Handelsblad, 25 september 2014

Een lakmoesproef voor schilders

Bianca Stigter

In de discussie die Sander van Walsum in de Volkskrant begon over het werk van Marlene Dumas, komt onder meer de vraag aan bod of een kunstenaar de menselijke anatomie moet ‘respecteren’. Lang gold die kwestie binnen de beeldende kunst als een lakmoesproef. Een schilder moest anatomisch correct kunnen schilderen voordat hij daarvan af mocht wijken. Als hij dan toch nog een vlek wilde schilderen, dan was dat een keuze, geen onmacht. Een goede advocaat voor deze theorie was Picasso, die kon als hij wilde best een anatomisch correcte vrouw schilderen, dus als hij haar drie neuzen gaf, dan was dat een weloverwogen beslissing. Dan mocht het. Maar alleen dan. Iets van die redenering zie je nog terug in de meest geliefde manier om het werk van grote schilders tentoon te stellen, zoals dat van Mondriaan, of, nu in het Haags Gemeentemuseum, Rothko. Dat is een spannend avontuur dat altijd begint met figuratief schilderen en de abstractie als een soort zwaar bevochten eindpunt ziet. Een overwinning. Zij konden niet anders.

Van hedendaagse schilders weten we niet meer of ze het wel kunnen, ‘correct’ schilderen. Sommigen beginnen meteen abstract. Of ze schilderen een foto na. Of eroverheen. En vervormen de boel. Want dankzij de fotografie is het anatomisch correct kunnen weergeven van de werkelijkheid voor kunstenaars niet zo belangrijk meer. Daar hebben we de schilderkunst in ieder geval niet meer voor nodig. In de Middeleeuwen moest er nog een schilder naar een ver land gestuurd worden als een koning wilde weten hoe zijn eventuele bruid eruitzag. Nu kan zij een selfie sturen. Of hij googlet haar even.

De fotografie stond lang in lager aanzien dan de schilderkunst omdat er geen kunst aan zou zijn. Foto’s werden niet door een mens maar door een machine gemaakt. Lang voor de uitvinding van de fotografie waren er al beelden die niet door mensen werden gemaakt, maar die hadden juist een hoge status. In het Grieks is er zelfs een term voor: acheiropoietos, zonder handen gemaakt. Acheiropoeita zijn bijvoorbeeld de lijkwade van Turijn en de doek van Veronica, een afdruk van het zweet op het gezicht van Jezus. Die afdrukken zijn wel omschreven als de eerste foto’s. De werken van Marlene Dumas zijn daarentegen cheiropoeita. Haar doeken kunnen alleen door een mens gemaakt zijn.